🇬🇧 🇳🇱 🇫🇷 🇩🇪

BeLibre

Digitale Autonomie

BeLibre

Onafhankelijk, maar welk telefoonnummer?

Indrukken van BeLibre op de Trefdag Vlaanderen Digitaal 2026

Op 22 oktober kwamen meer dan 4.000 mensen uit overheden, bedrijven en kennisinstellingen samen in Flanders Expo in Gent voor de Trefdag Vlaanderen Digitaal. Het thema was “Soeverein in een verbonden wereld”. Dat onderwerp ligt BeLibre nauw aan het hart, dus we gingen met hoge verwachtingen. Die werden voor een groot deel ingelost, en op een paar plaatsen zagen we ruimte om nog een stap verder te gaan.

# Een plan is geen onafhankelijkheid

Jan Smedts, hoofd van Digitaal Vlaanderen, opende de dag met de vraag wie er vandaag aan het stuur zit van onze digitale toekomst. Zijn antwoord was scherp: wie enkel een plan A heeft, heeft volgens hem eigenlijk een afhankelijkheid. Zelfs met een plan B kom je er niet. Dat is niet meer dan een reservewiel in de koffer, en als je niet weet hoe je moet wisselen, heb je er niets aan. Soevereiniteit vraagt een migratiepad, en dat moet je voorbereiden voor je het nodig hebt. Hij verwees daarbij naar de recente ervaring met Anthropic, waar de toegang tot enkele AI-modellen in juni bijna drie weken werd opgeschort. De hernieuwde toegang tot Fable was geen opluchting, het was een bevestiging van de willekeur waar we aan vasthangen.

Met BeLibre roepen we al twee jaar op om je kritieke afhankelijkheden in kaart te brengen en daarvoor een fall-back te voorzien. Toen in 2024 naar aanleiding van CrowdStrike wereldwijd vliegtuigen aan de grond bleven, konden ze in Brussels Airport wél opstijgen. Er was namelijk een plan B, en het was uitgetest: potlood en papier. Het hoeft dus niet altijd hoogtechnologisch te zijn.

In zijn keynote ging Jan Smedts verder over het belang van eigenaarschap. De overheid moet evolueren van klant naar mede-eigenaar en mede-investeerder in de technologie waarop ze bouwt. We moeten eigenaar zijn van de infrastructuur, en daarmee ook het laatste woord hebben over capaciteit, veiligheid en zelfs de richting waarin verder ontwikkeld wordt. Daarvoor hoef je volgens hem lang niet alles zelf te doen. Als je op dat punt komt, heb je een strategische positie en kun je mee aan de onderhandelingstafel zitten.

Ook hier zitten we met BeLibre volledig op dezelfde golflengte. En zoals Smedts aangeeft, impliceert dat mede-eigenaarschap ook een engagement van onze kant. Na de aankondiging van twee kritieke lekken in PHP kozen vorige week wereldwijd heel wat organisaties ervoor om hun websites veiligheidshalve offline te halen. In ons land haalden onder meer Smartschool, DPG Media, ziekenhuizen en verschillende overheidsdiensten het nieuws. Dat konden ze, omdat ze eigenaar waren van hun website. De vraag die gesteld moet worden: namen ze de voorbije jaren ook al eigenaarschap op over de programmeertaal die het fundament was? Droegen ze bij aan de groei van PHP, inhoudelijk of financieel?

Een schril contrast was er met de reeks SharePoint-kwetsbaarheden uit juli van dit jaar. Wie hierdoor getroffen werd, kon alleen maar hopen dat Microsoft het probleem snel en grondig oploste. Daar zijn we geen mede-eigenaar, maar in het beste geval klant: afhankelijk van het onderhandelde contract kunnen we al dan niet een vergoeding eisen voor de geleden schade.

# Open source alleen is onvoldoende

Daarmee gaan we met BeLibre alweer mee in het pleidooi van Smedts over open source: open source is geen garantie voor autonomie. De code moet gedragen worden door een community, en idealiter maak je zelf deel uit van die community. Ook technisch. Ook financieel. Software die je gratis kunt downloaden, is daarom nog geen software die je gratis kunt gebruiken. Code waarover niemand eigenaarschap wil nemen, noemde Smedts een afhankelijkheid zonder telefoonnummer.

De impliciete suggestie dat niemand bereid is eigenaarschap te nemen over open source, voelde wel wat zuur aan. In dezelfde evenementenhal stonden opensourcebedrijven met elk hun eigen diensten en oplossingen, die stuk voor stuk werken met en op basis van open source, en die daar ook in investeren.

Bert Boerland maakte het op LinkedIn concreet met een tijdlijn die teruggaat tot 1991, het jaar waarin een Finse student aankondigde dat hij aan een hobby-besturingssysteem werkte. Een jaar later werd SUSE opgericht in Neurenberg, dat sindsdien meer dan drie decennia Europese enterprise support levert op open source. Red Hat trok in 1999 naar de beurs en werd in 2018 voor 34 miljard dollar overgenomen door IBM. Open source met een telefoonnummer bestaat dus al een hele tijd. Wie vandaag open source gebruikt zonder nummer, heeft daar zelf voor gekozen.

Uit diezelfde tijdlijn blijkt ook hoe diep open source al in de rest van de sector zit. Sinds 2017 draaien alle 500 snelste supercomputers ter wereld op Linux. Windows kan via WSL2 een echte Linux-kernel draaien, door Microsoft zelf meegeleverd, en Microsoft heeft met Azure Linux een eigen distributie. Wie voor een gesloten leverancier kiest, gebruikt dus ook onrechtstreeks open source, alleen loopt het contact dan via een tussenpersoon. Open source is met andere woorden robuust en alomtegenwoordig. De vraag is vooral of je zelf mee aan tafel zit bij de componenten waarop je draait.

De logische volgende stap is om die afhankelijkheid een telefoonnummer te geven. Voor een overheid die open source gebruikt, betekent eigenaarschap bijdragen aan de projecten waarop ze steunt. Dat kan met code, door verbeteringen terug te geven aan het project in plaats van ze in een eigen kopie te laten verdwijnen. En dat kan met geld, door te betalen voor ontwikkeling, onderhoud, support en security van de software zelf, naast de consultants die ze installeren.

Elders in Europa is die richting al ingezet. In Nederland geldt voor broncode van de overheid sinds 2020 het principe “open, tenzij”, en in juni stelde de Europese Commissie een Europese opensourcestrategie voor, als onderdeel van haar pakket rond technologische soevereiniteit. Vlaanderen kan daar met zijn eigen plannen op aansluiten.

Smedts bracht ook opnieuw het idee van een Vlaams Government OS ter sprake: een gemeenschappelijke basis van platformen, standaarden en afspraken, modulair opgebouwd. Modulariteit is precies wat een plan B mogelijk maakt, want als een onderdeel wegvalt, vervang je het. Dat werkt het best op open standaarden en open bouwstenen, waar verbeteringen doorstromen naar iedereen die ze gebruikt, ook naar burgers, bedrijven en andere overheden. Linux toont al decennia hoe zo’n gedeeld eigenaarschap in de praktijk werkt. De Nederlandse overheid bouwt haar werkplek DAWO op NixOS, en de Franse DINUM schakelt 250 medewerkers over op NixOS-werkposten.

# Hardware, software en de laag ertussen

VRT-journalist Tom Van de Weghe schetste de geopolitieke context, met een sterke focus op China. Zijn beeld bleef hangen: ons digitale brein huren we in Amerika, het robotlichaam kopen we vaak in China, en de vraag is wat we zelf nog kunnen. Zijn advies voor Europa was om de Chinese hardware te kopen en de software in eigen handen te houden. Wie maakt, leert, en wie zijn productie uitbesteedt, verliest ook het vermogen om te verbeteren.

Ook hier zien we een logische volgende stap. Software in eigen handen houden veronderstelt dat je de laag eronder kunt vertrouwen. Firmware, drivers en functies op de chip zelf bepalen mee wat je software kan en wie er kan meekijken. Wie soevereiniteit ernstig neemt, brengt die laag mee in het debat, met aandacht voor firmware die je kunt inspecteren en verifiëren.

# De regie houden

Chirurg en zorgbestuurder dr. Sofie Franssen bracht soevereiniteit terug naar het niveau van de mens. Ze formuleerde drie vaardigheden: zelf bepalen waaraan je je aandacht geeft, de regie houden wanneer technologie wegvalt, en technologie in vraag kunnen blijven stellen. Haar boodschap was dat we het samen moeten doen, en daarbij messcherp moeten blijven.

Ook die visie delen we volledig. Ze heeft wel een voorwaarde. Technologie in vraag stellen kan alleen als je weet hoe ze werkt en goed begrijpt wat er onder de motorkap gebeurt. En als puntje bij paaltje komt, moet je ook nee kunnen zeggen. Dat vraagt inzicht in de code en alternatieven die echt bestaan.

Die vraag wordt extra dringend bij AI. Een van onze leden merkte op dat een groot deel van de sessies en stands ging over AI-toepassingen die gegevens van gemeenten en burgers verwerken, en vond het opvallend hoe weinig kritisch daarbij naar de werking van die systemen gekeken werd, op een dag die over datasoevereiniteit ging. Misschien misten we allebei de sessies waar dat wel aan bod kwam. Maar Smedts gaf zelf het voorbeeld: toen de toegang tot Anthropic in juni wegviel, bleek hoe snel een AI-dienst een afhankelijkheid wordt. Dezelfde vragen die hij stelt voor de rest van de digitale ruggengraat gelden hier dus ook: waar gaan de gegevens naartoe, kunnen we het model inspecteren of zelf draaien, en wat is ons plan B als de dienst wegvalt?

# “Wat is dan je alternatief?”

Op de beursvloer spraken we met verkopers van Microsoft-oplossingen bij verschillende partnerbedrijven. Het waren open en interessante gesprekken. Hun argumenten verdienen een eerlijke weergave: Microsoft biedt een samenhangend geheel aan, waar je elders zelf de stukken bij elkaar moet zoeken. Het gaat prat op een sterk securityteam. En Europa is volgens hen geen gemakkelijk klimaat om als techbedrijf te groeien, door hoge belastingen, veel regelgeving en een overheid die met haar eigen bedrijven concurreert.

Op een aantal punten vonden we elkaar. Europa moet sterker worden, en we hebben politici nodig die over hun eigen ego heen kunnen stappen en samen gedragen oplossingen zoeken.

Over dat Europese klimaat gaf ook Bert Boerland een pijnlijk Belgisch voorbeeld. Dries Buytaert begon Drupal in 2001 als prikbord in een Antwerps studentenhuis. Toen hij er in 2007 een bedrijf rond bouwde, werd dat Acquia, opgericht in de Verenigde Staten. Boerland ziet daarin een gebrek aan ondernemerschap en startkapitaal in België en Europa. Het talent is er dus wel; wat ontbreekt, is de investering die het hier laat groeien. Dat is net de rol die Smedts voor de overheid ziet, als mede-investeerder.

Op andere punten kijken we anders. Securityincidenten bij Microsoft werden volgens de verkopers netjes afgehandeld. Over de interne security is geen enkel bedrijf open, kregen we te horen, en dat klopt misschien, maar het is net een argument voor code die je zelf kunt inzien. Bij open source zijn de lekken zichtbaar en publiek gedocumenteerd, en dat is precies wat het PHP-verhaal van vorige week mogelijk maakte.

Eén vraag kwam in elk gesprek terug: wat is dan je alternatief?

# Het antwoord stond twee standen verder

Dat alternatief vonden we in dezelfde beurshallen. We spraken met mensen van SUSE, Red Hat, Kangaroot, Inuits, redpencil - en in het C-smart Innovation Lab konden bezoekers EU OS uitproberen. Overal hoorden we hetzelfde verhaal: ze zijn er klaar voor. Niemand verwacht dat een overheid alles zelf doet, en de expertise om haar daarin te ondersteunen is er.

Een andere noemenswaardige partner die gelooft in open data en decentrale kennisdeling, is OpenStreetMap met haar Belgische afdeling. Naast hun wereldwijde, open en gezamenlijk onderhouden kaartdatabank wordt nu met het gefedereerde Panoramax-project ingezet op beelden en foto’s van straten en locaties. Door ook deze informatie publiek te maken, voorkom je dat je vastzit aan één leverancier voor routeplanning en wegbeschrijvingen.

Ze zijn er dus wel degelijk. Het enige probleem is dat ze niet één bedrijf zijn, niet één contactpunt hebben en niet één marketingdienst hebben. Wie die spelers niet toevallig op een beurs tegenkomt, vindt ze niet zo makkelijk. Er bestaat vandaag geen overzicht van wie in België wat aanbiedt rond open source, open data of publieke kennisdeling.

# De blinde vlek

Bij de stand over het gemeentehuis van de toekomst konden bezoekers in een poll hun vijf belangrijkste noden aanduiden. Nadat we de poll hadden ingevuld, legden we een bezorgdheid voor die niet in de lijst stond: het risico van één enkele dienstverlener waarop alles kan falen. We toonden een kaart van België voor gemeenten, provincies, gewesten en de federale overheid, maar ook voor brandweer, politie, ziekenhuizen, banken, verzekeringen, onderwijs en zelfs onze nieuwsbronnen. In elke sector stond telkens dezelfde aanbieder in voor 65 tot 100 procent van de mail, en vermoedelijk ook voor kantoorapplicaties en het aanmelden op de computer.

De medewerker aan de stand gaf toe dat dit wel een groot single point of failure was, tot een collega haar een minuut later elders nodig had. We hebben alle begrip voor haar situatie: er waren heel wat vragen voorbereid, en die van ons stond er niet tussen. Maar juist dat vinden we veelzeggend. Op een dag die volledig in het teken stond van soevereiniteit, stond afhankelijkheid nog niet op de lijst met noden van het gemeentehuis van de toekomst.

# Een Belgisch telefoonnummer voor open source

Jan Smedts waarschuwde voor een afhankelijkheid zonder telefoonnummer. We hoorden zijn oproep. BeLibre wil mee aan de kar trekken en zorgen dat dat telefoonnummer er komt.

Ben je in België actief met open source? Ontwikkel je ervoor, werk je ermee, bied je er een product of dienst rond aan, of onderhoud je een project waar anderen op steunen? Meld je dan bij Christopher van BeLibre. We verzamelen die informatie en bouwen er een netwerk mee uit, zodat een overheid die een plan B zoekt, weet wie ze kan bellen.

De Trefdag liet zien dat de wil er is en dat de expertise er is. Wat nog ontbreekt, is de verbinding tussen beide. Daar willen we aan meewerken.